You are the saxophone. I’d like to be the violin someday.

Every song has a coda, a final movement. Whether it fades out or crashes away, every song ends. Is that any reason not to enjoy the music?

- One Tree Hill (S03E13)

"Er wordt mij wel vaker verweten dat ik mezelf achter mijn voile verstop, maar het tegendeel is waar.
Ik verstop de wereld.
Ik heb een sluier voor haar neergelaten.
Door die waas van kant en zijde oogt zij zoveel zachter."

— Arthur Japin - Een schitterend gebrek

"Never, ever take anything for granted."
Cupcakedress

Cupcakedress

Soms
Ben ik bang dat ik
Plotseling wakker word
Jij niet naast me ligt
En ik me realiseer dat
Het allemaal
maar een droom was

Apple globe by Kevin van Aelst

Apple globe by Kevin van Aelst

Gek genoeg liet dit typische verhaal over dieren (en vijanden/tegenstanders), mij mensen beter begrijpen.

“Vele jaren geleden was de keizer een keer op bezoek bij zijn neef, de tsaar. Het was een langdurig bezoek met veel jachtpartijen. Bij het afscheid schonk de tsaar zijn neef als teken van hun onverbreekbare familieband een kudde elanden. Het waren prachtige grote dieren met brede kroongeweien. Zulke dieren komen in ons land niet meer voor. Alleen in het rijk van de tsaren leven zij nog hier en daar in eenzame streken, schuw en trots, zij komen alleen voor in steppen en bossen, waar de mens bijna nooit komt. De keizer nam de kudde mee naar zijn land, ontbood als zijn houtvesters en vertelde hun, welk kostbaar geschenk zijn neef hem en hun had gegeven. Samen zochten zij in hun eigen land naar een plek, waar naar hun mening de dieren zich thuis zouden voelen. Zij vonden een uitgestrekt gebied met bossen en stukken steppen op de dam tussen de Oostzee en het Koerse Haf, ver van alle menselijke nederzettingen. Zij maakten er een natuurreservaat van, bouwden kleine houten schuren en vulden die voor de winter met hooi en droog blad. Er werd een speciale houtvester voor dit gebied aangesteld. Er ging enige tijd voorbij en de grote herten leefden ongehinderd in hun rijk tussen de twee zeeën op de landtong, zij ontmoetten elkaar op de voederplaatsen en de paarden onder de oude beuken. ‘s Ochtends kon men zien, hoe zij langzaam van de open plekken naar het hoge geboomte trokken; als men hen overdag besloop zag men ze alleen en roerloos staan tussen de laag-hangende takken. De dieren staarden dan met hun grote bruine ogen naar de oneindigheid. Als men hen aan het schrikken bracht, krompen zij even in elkaar en sprongen dan met hoge sprongen weg. Hun hoeven deden de grond trillen, en zij liepen verder en jaagden verder door het heuvelige grasland. Als zij een heuvel opdraafden, wierpen zij hun kop in de machtige hals, zodat het leek, alsof het gewei op hun rug groeide en dan doken zij weer in het donker van het bos. Hun zware lichaam deed hen nog even de vlucht voortzetten, maar allengs werd hun gang die van het trotse schrijden van een hert. Hun lange hals boog zich naar de aarde, zij rukten grashalmen uit en pikten bladeren en dan leek hun gewei op knoestige takken, die van de bomen waren gevallen. De geur van de drek van de dieren van het bos vermengde zich met die van de hunne, hun gebrul in de bronst werd één van de diergeluiden uit het bos en het leek, alsof zij vanaf oudsher geleefd hadden tussen de twee zeeën. Maar na geruime tijd kwamen de eerste berichten, dat de kudde kleiner werd. Steeds vaker vond men nu eens hier in het bos dan weer daar in de vlakte van het lijk van een eland. Het mooie, eens warme lichaam lag star als een dode boom op de grond, de gebroken ogen staarden als levenloze kralen in de holten; men begreep niet, wat de dood van deze dieren had kunnen veroorzaken. Tegelijk leek het, alsof de overlevenden steeds meer apathisch werden, hun sprongen waren niet meer zo gedurfd en als zij vluchtten draafden zij niet meer zo zwevend heuvel op heuvel af. De keizer ontbood opnieuw zijn houtvesters en samen overlegden zij wat zij konden doen tegen het zwijgende sterven van de dieren. Men ging alle mogelijkheden na: voer, klimaat en huisvesting van de dieren, men haalde er dierenartsen bij, die de kadavers onderzochten op stoffen, die de dood hadden kunnen veroorzaken. Het was allemaal te vergeefs, men vond geen enkele aanwijsbare oorzaak. Men verzocht ieder, die zich op wetenschappelijke wijze bezig hield met het leven in de bossen en wiens mening en oordeel van waarde werden geacht, een verklaring te geven van de raadselachtige dood. Maar niemand had er één.Tenslotte schreef de keizer aan zijn neef, de tsaar. Hij gaf uiting aan zijn droefheid over deze gang van zaken en vroeg raad. De tsaar zond één van zijn houtvesters, die vele jaren gewoond had in het gebied van de elanden en die alles wist over het gedrag van deze dieren. De man kwam en nam zijn intrek in een hut tussen de zee en het haf. Hij bleef er een heel jaar. Hij onderzocht alles, wat verband hield met het leven van de elanden in hun nieuwe vaderland en toen het jaar voorbij was, ging hij naar de keizer en de andere houtvesters en de geleerden en zei:
‘Ik heb alles onderzocht en vastgesteld, dat het hooi voortreffelijk is en de bladeren voedzaam zijn. Het klimaat is goed, en de grond en het bos en de steppen zijn goed. Men heeft alles gedaan, wat een mens kan doen om de dieren in leven te houden. Het ontbreekt hun aan niets’. ‘Maar waarom sterven zij dan?‘ vroeg de keizer ongeduldig. ‘Als het hun aan niets ontbreekt, waarom sterven zij dan?’. ‘Het ontbreekt hun aan niets’, ging de oude man rustig verder. ‘ Niemand heeft een fout gemaakt, maar er is één ding…’ ‘En wat is dat dan wel?’, viel de keizer hem weer in de rede. ‘Zij missen één ding’, ging de houtvester voort, ‘en daarom sterven zij’. ‘En dat is?’, zei de keizer, met zijn vingers op tafel trommelend. ‘De wolven’. ‘De wolven?’, herhaalde de keizer ongeduldig. ‘Ja’, zei de oude man. ‘Het zijn de wolven die zij missen’. En toen ging hij weer naar huis naar zijn elanden en wolven.”

 Keilson, H., In de ban van de tegenstander, 1982, p. 61,62,63

"You must be the change you want to see in the world."

— Ghandi